CURSUSSEN 2019

Ook komend jaar geef ik weer een aantal cursussen in Rougeux. Hieronder vindt je informatie over data, kosten, enzovoort.

Eerst de data:

zomer

20 t/m 27 juli portret

3 t/m 10 augustus landschap

17 t/m 24 augustus portret

herfst

19 t/m 26 oktober grafiek

Aankomst is telkens op zaterdagmiddag, vertrek zaterdagochtend.

De kosten zijn €700,= all in, dus eten en drinken, materialen etc. Op basis van een tweepersoonskamer. Kamperen op ons terrein kan ook. Kijk hier voor alle tarieven.

De cursussen

Voor alle cursussen geldt: Ik geef op een heel individuele manier les, dat wil zeggen gericht op ieders eigen niveau, talenten en ambities. Dus of je nu beginneling bent of ervaren schilder; je zult zien dat je na zo’n week een hoop geleerd hebt.

Portret:

We werken vooral ’s ochtends in het atelier, van half tien tot ongeveer half twee. Daarna een uitgebreide lunch, en ’s middags gelegenheid om door te werken aan je portret, een uitstapje of een wandeling te maken, of luieren in de zon. Of een keer een ets maken of een portret boetseren. Twee etspersen en een keramiekoven (vorig jaar kapot, maar hij doet het weer!) staan tot je beschikking. Vanzelfsprekend ben ik aanwezig om je met raad en daad bij te staan. Aan het eind van de dag, met een aperitief, bespreken we het werk.

Landschap:

We gaan na het ontbijt naar een locatie in de buurt en installeren ons. We werken op verschillende plekken, in het bos, op een plek met en weids uitzicht, in een dorpje, etcetera. Omdat we later beginnen met werken wordt de lunch “ingevlogen” en picknicken we ter plekke. ’s Middags ook weer tijd voor ontspanning of atelier (zie boven).

Grafiek:

In de herfst geven we voor het eerst een cursus etsen. Verschillende technieken komen aan bod; droge naald en zuurets, maar ook werken met lichtgevoelige platen, waardoor ook fotografisch materiaal op een plaat overgezet kan worden. Meer informatie hierover volgt.

verslag cursusweken

twee geweldig leuke weken beleefd deze zomer. Een week portret en een week landschap. Hard gewerkt, heerlijk gegeten en veel gelachen. Hieronder een beeldverslag.

(de foto’s van de portretcursus zijn van Neely Kok)

liefdevolle precisie

Toen Lodewijk Thijssen in 1988 in Rotterdam kwam wonen nadat hij zijn opleiding aan de kunstacademie had voltooid was de cultuurschok groot. Lodewijk groeide op in een kunstenaarsfamilie die veel verhuisde in binnen en buitenland, maar hij was altijd omringd door de natuur. Tekenen deed hij al vanaf het moment dat hij een potlood vast kon houden en hij tekende alles. Als kind tekende hij met grote hartstocht de bomen, de huizen, portretten van de mensen om hem heen, dieren, als puber schilderde hij indringende surrealistische droombeelden. Hij tekende iedere dag. Romantisch, maar tegelijkertijd altijd met uitzonderlijke precisie en onbarmhartige objectiviteit.

Zijn gang naar de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving in ‘s-Hertogenbosch was een logisch en natuurlijk vervolg van zijn jeugd en achtergrond. In ‘s-Hertogenbosch studeerde hij bij o.a. Rein Dool, Frank vd Broeck, Gé Verhulst en Wolfgang Ebert. Hij onderzocht als kunstenaar meerdere richtingen maar bleef altijd tekenen, kijken en registreren.

Rotterdam was een stad waar de menselijke maat en de schoonheid leek verdwenen. Door de naoorlogse woningnood waren wijken ontstaan die zuiver zakelijk en functionalistisch waren. Een barre en kale omgeving voor Lodewijk, opgevoed met schoonheid en cultuurgeschiedenis. Maar daarnaast ontstond er ook een nieuwe stad, die voor iemand met liefde voor architectuur en lijnen en verhoudingen heel opwindend was. In het jaar dat Lodewijk naar Rotterdam verhuisde werd het opvallende gebouw van de Nationale Nederlanden gebouwd. Er heerste een sfeer van vernieuwing en hoop. Het grote werk ‘De Metselaar’ verhaalt van de niet aflatende veerkracht van de bouwende mens, die steeds na vernietiging weer opnieuw begint, en de vernietiging kan zien als een kans op vernieuwing. Lodewijk schilderde het werk voor zichzelf, en was er eigenlijk nooit op uit om het grote publiek te zoeken.

Een groot deel van Lodewijks werk werd in deze periode als het ware ontmenselijkt. Hij was geobsedeerd door lijnen en gefascineerd door licht. Hij schilderde het interieur van een lege vertrekhal op het vliegveld, van een restaurant na sluitingstijd, van windmolens tegen een grijze wolkenlucht, op een bijna classicistische manier, niet zomaar figuratief, maar wel fotografisch perfect. Interessant is dat de menselijke eenzaamheid in zijn ontmenselijkte schilderijen altijd voelbaar is.

Naast het vrije, persoonlijke werk schildert hij portretten, vaak in opdracht, en gaf hij ook jarenlang les in portretschilderen, eerst aan de Willem de Kooning academie en daarna aan de SKVR. De tegenstelling van het betrokkene en intieme van het menselijke portret en het afstandelijk observeren van de omgeving vallen samen in zijn wat latere schilderijen van jonge jongens in een stedelijk decor. Ze zien er enigszins verloren en zoekend uit in een koude en geometrische wereld. Maar of Lodewijk nu simpele objecten zoals windmolens, een bootje, een bosrand schildert of een portret: die bijzondere combinatie, die eigen tegenstelling van objectiviteit en intimiteit is altijd voelbaar. Dat heeft te maken met zijn analytische helderheid en de uiterst zorgvuldige, liefdevolle penseelstreek waarmee hij zich verbindt met zijn onderwerp.

In de negentiger jaren, ver voordat hij een succesvolle galerie op de Brouwersgracht had, zag Paul Lohmann bij toeval werk van Lodewijk Thijssen in een galerie op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Het bleef in zijn herinnering haken. Toen hij bij toeval stuitte op een werk van Lodewijk dat was aangekocht door een particulier in Groningen herkende hij het handschrift meteen en ging op onderzoek uit. Hij bezocht Lodewijks atelier en stimuleerde hem in de openbaarheid te treden met zijn werk. Komende maand zijn schilderijen uit voornoemde serie te zien in Gallery 238. Momenteel werkt Lodewijk aan een nieuwe serie die volgend jaar zijn premiere zal beleven.

Maria Segura

het realisme als waagstuk

Kunst kan schoonheid zijn of lelijkheid, ze kan grootspraak zijn of getuigenis. Ze kan van alles zijn, en dat weten we, maar wat we steeds minder weten, of althans beseffen, is dat kunst ook en misschien wel vooral de bewaarplaats kan zijn van het kinderlijke in de mens.

In de loop van de twintigste eeuw is de kunst, die uitvinding van de negentiende eeuw – net als het socialisme, het liberalisme, het communisme en wat niet al – volwassen geworden en tegelijk aan het eind van zijn latijn gekomen.

Niemand weet eigenlijk meer wat dat is, kunst, is het niet langzamerhand eenvoudigweg een wereldwijd verbreid bedrijf geworden, waarin duizenden hun brood verdienen; een westerse multinational, die zich met sponsorgeld en staatssubsidies almaar vernieuwt teneinde massaal publiek te trekken en flink wat geld te verdienen?

De kunst is, anders dan Oscar Wilde ons leerde in het voorwoord bij “Het Portret van Dorian Gray“, helemaal niet ‘volstrekt nutteloos’ meer, maar zo ongelooflijk nuttig geworden dat zij haar onschuld en daarmee haar betekenis dreigt te verliezen.

Zelfs de avantgardisten, die als lastige pubers in het begin van deze eeuw de gevestigde kunst schoffeerden, zijn dienstbaar gemaakt aan de doelstellingen van het kunstbedrijf. Hun uiterst modieuze opvolgers in het huidige tijdsgewricht geven zich over aan strapatsen waarmee vooral de zogeheten ‘tentoonstellingsmakers’ goede sier weten te maken.

Wat moet een eenvoudige schilder, met niets anders dan wat verf en penselen tot zijn beschikking, wat moet een tekenaar, met niets anders dan een stukje papier en een potlood tot zijn beschikking, wat moet een dichter, met niets anders dan een paar woorden tot zijn beschikking, stellen tegenover dit geweld?

Hun werk is eenvoudigweg te kleinschalig om te kunnen concurreren met de reusachtige formaten die het moderne museum wil, de zich over vele zalen zich uitstrekkende ‘installaties’, de Hollywoodfilms met hun spektakel, de camera met zijn motordrive en duizenden opnamen in ettelijke seconden, de honderden glossies met hun technisch perfecte fotografie, de televisie met haar bombardement van beelden en de massacultuur die elke vorm van intimiteit onmogelijk maakt.

Toch zijn er, nog steeds, vele, vele kunstenaars, schilders, tekenaars, grafici en niet te vergeten dichters die ‘far from the madding crowd’ erin slagen dingen te maken, relatief kleine dingen, die onze dolgedraaide kunstwereld als het ware even stil zetten. Met één geslaagd schilderij, één petieterig etsje of één sonnet kunnen zij de lezer of kijker een moment van intimiteit geven dat voor de opgejaagde consument en zijn gewendheid aan instantbevrediging zeldzaam mag heten.

Zulke kunstenaars maken vaak letterlijk oogstrelende kunst. Naïef? Ik geloof dat je het zo wel kunt noemen, maar zolang er sprake is van technisch meesterschap, of althans een streven daarnaar, hoeft een dergelijke naïviteit niet negatief uitgelegd te worden. Want in zijn stilistische perfectie kan zulk een werk een onaantastbaarheid bereiken waarop de golfslag van de mode geen vat heeft, en misschien de tand des tijds evenmin.

Inhoudelijk gesproken weerspiegelt de vorm van deze kunst iets onaantastbaars in de kunstenaar zelf, iets wat hij behoedt voor verval, iets van zijn eigen innerlijk dat vaak rechtstreeks stamt uit de tijd van zijn jeugd, zijn kindheid, toen mens en wereld nog onderworpen waren aan een vorm van verwondering; dingen en gedragingen onbenoemd, niet gecategoriseerd of beladen waren, en in hun belangeloosheid strikt subjectief beleefde geheimen prijsgaven.

Een boom met zijn groenbruine kleurschakeringen op de ruwe schors was een wonder gelijk, en niet een ding waarin je later als puber je initialen kerfde of waarin je als volwassene nog weer later de kettingzaag zette, zodat die verdomde boom tenminste je auto niet mee in de weg stond.

Zulke kunstenaars, eeuwig vreemden in de grote-mensen-wereld met haar doelmatigheid en nut, zijn ertoe veroordeeld op gespannen voet te staan met de realiteit, omdat die zich niet laat plooien naar het beeld dat zij er zich van hebben gevormd, toen alles zich onder hun blik als nieuw aanbood en een eerste besef ontstond van wat wij zo makkelijk ‘schoonheid’ zijn gaan noemen.

Er is een anecdote over de vader van Max Ernst, de beroemde collagemaker, die dit aardig illustreert. Vader Ernst was óók kunstenaar. Op een keer was hij druk doende zijn bloesemende tuin te schilderen, maar erg goed ging het niet. Na een dag hard werken was hij uiterst ontevreden over het resultaat. Ook de volgende dag kwam hij er niet uit. Op de derde dag, toen het weer niet lukte, rende hij plotseling de tuin in, pakte een bijl, en hakte de boom in die daar stond.

De boom was steeds een storend element geweest in zijn compositie.

 

Lodewijk Thijssen, die ik al langer ken dan hij mij kent en die ik van kind tot puber tot volwassen man (en vader) heb zien opgroeien, heeft zijn leven lang getekend en geschilderd, maar hoeveel ouder en rijper hij ook werd, in wat hij in zijn werk probeerde vast te leggen, is hij steeds trouw gebleven aan wat ik in het bovenstaande heb getracht te verhelderen: de weliswaar intense, maar ook naïeve manier van kijken, die een kind andere dingen doet zien dan een volwassene.

Bij Lodewijk Thijssen drukt zich dat uit in een bijna classicistische manier van schilderen, niet zomaar figuratief, maar bijna fotografisch perfect. Het onderwerp doet er dan niet zoveel toe. Hij kan de sterk ervaren schoonheid van het geziene even goed vinden in een moderne vertrekhal als in het groen van een bosrand.

Het zijn, in de traditionele zin van het woord, mooie schilderijen, aan de ene kant manifestaties van het intieme slagveld dat de kunstenaar betreedt als hij de duizendvoudige schakeringen van de werkelijkheid – in kleur, vorm, licht en spiegeling – recht wil doen en aan de andere kant (de kant van de beschouwer) haast lieflijke oorden van rust, niet gedicteerd door de tirannie van uur en feit, zoals de dichter Adriaan Roland Holst dat genoemd heeft.

Mensen komen op deze schilderijen niet voor. Die bewaart Lodewijk Thijssen, alsof hij ze niet voor enig schilderkunstig doel wil misbruiken, voor zijn portretten. In zijn werk, zou je dan ook kunnen zeggen, ruimt hij een aparte plaats in voor zijn medemens. Een zo opvallende plaats, dat je je afvraagt wat het portret voor hem betekent.

Natuurlijk heeft een zo volledig opgaan in de ander, dat een dergelijk onderwerp met zich meebrengt, te maken met een nieuwsgierigheid die een volwassene alleen nog in tijden van verliefdheid opbrengt.

Maar er is meer aan de hand.

Ik denk dat Lodewijk Thijssen in zijn portretten – misschien niet voor niets vooral van jongetjes – een vorm van onschuld afbeeldt, die onontkoombaar ook met hemzelf te maken heeft. Maar tegelijkertijd, en dat maakt ze gecompliceerd genoeg om boven frasen als ‘heel herkenbaar’ of ‘technisch knap’ uit te stijgen, helpen ze hem de tantaliserende vraag naar een betekenisvol onderwerp in een tijd waarin zoveel beelden gemaakt worden te beantwoorden: de voorstelling zelf behelst immers alle betekenis die wij maar van een kunstwerk kunnen eisen.

Alleen met een dergelijke zekerheid achter de hand, lijkt het, is het waagstuk van het realisme in deze tijd op een zinvolle manier mogelijk. Lodewijk Thijssen houdt het portret niet zoals Oscar Wilde dat van Dorian Gray eeuwig jong (met alle diabolische bedoelingen vandien), nee hij laat het als het ware een verjongingskuur ondergaan, in het volle besef, dunkt mij, van de ondraaglijke lichtheid van het hedendaagse kunstenaarsbestaan.

 

Willem Kuipers

eindpresentatie SKVR

vrijdag 22 januari werd het werk van mijn cursisten getoond tijdens de SKVR-eindpresentatie van seizoen 2015-2016.

We hebben de wand op z’n Italiaans volgehangen en alle portretten naar het midden laten kijken. Een prachtig resultaat; als geheel, maar ook afzonderlijk.

IMG_1175 IMG_1180 IMG_1181 IMG_1182 IMG_1183

recensie NRC

Er gaat een mysterieuze dreiging uit van de schilderijen van Lodewijk Thijssen (Amersfoort, 1962). Zelfs bij een op zichzelf niet spannend onderwerp, een moderne windmolen, weet hij iets duisters op te roepen. Dat komt vooral door de donkere kleuren die hij gebruikt. De moderne molen, een spriet met wat propellors tegen een zwaar bewolkte lucht, staat op een donker gekleurde bodem. Het is geen tot in detail geschilderde grond, maar een duister dreigend vlak.

Diezelfde spanning weet hij op te roepen in zijn zelfportret en op een schilderij van een man die oog in oog met een grote wesp staat, die klaar is om te steken. Licht en donker effecten op de glad geschilderde doeken spelen daarbij een grote rol. Thijssen licht zijn onderwerpen uit als een regisseur van een spannende film. Van de man met de wesp zie je van dichtbij een duister profiel (tegenlicht). Thijssens gezicht licht op zijn zelfportret zacht groen en blauw op.

Niet alle schilderijen zijn zo spannend. Een vroeger werk, waarop we een groep jonge mensen in een donkere kamer rond een verlichte tafel vol flessen zien zitten, mist de suspense van de andere werken. Het is eerder een schilderstudie.

zie archief NRC